Wijnbouw aan de Moezel, de Saar en de Ruwer
Sinds de Romeinen de wijnstok in de Belgische en Germaanse provincies invoerden worden er al ononderbroken druiven verbouwd aan de Moezel en zijn zijrivieren. De wijn is hier dus al zo"n 2000 jaar bepalend voor het landschap. De Riesling-druiven die tegenwoordig zo karakteristiek zijn, werden waarschijnlijk pas in de 18e eeuw na een verordening van de vorst als cultuurdruif ingevoerd. Tot dan toe waren er verscheidene druivensoorten, onder andere de Elbling. Deze wordt nu nog aan de Duitse kant van de Boven-Moezel verbouwd. Trocken wordt deze wijn graag gedronken, en bovendien wordt hij ook vaak gebruikt als basiswijn bij de bereiding van sekt.

De "wijnberg" op de tentoonstelling omvat naast Riesling- en Elbling- ook Müller-Thurgau-wijnstokken, een kruising tussen Riesling en Silvaner, die in Luxemburg ook wel Rivaner genoemd wordt. Tussen de wijnstokken staan de werktuigen die vroeger op de wijnbergen gebruikt werden. Omdat de hellingen erg steil zijn, is de wijnbouw aan de Moezel, de Saar en de Ruwer van oudsher erg zwaar. Maar de overdadige zonnestralen en een bodem die de warmte goed vasthoudt zorgen wel voor bijzonder waardevolle wijnen. Wel bestond elk voorjaar weer het gevaar dat de al in bloei staande wijnstokken beschadigd raakten door late nachtvorst. Daarom plaatste men kleine kacheltjes op de wijnbergen, die met hout, kolen en later ook met olie gestookt werden, om zo de koude lucht aan de grond in beweging te krijgen.

Druiven oogsten was van oudsher vrouwenwerk. De vrouwen knepen de rijpe druiven met de blote vingers eraf. Met de opkomst van nieuwe ent-methodes in de 20e eeuw werd het gebruik van de druivenschaar pas noodzakelijk. Vervolgens werden de druiven in manden gelegd die wegens de steile helling vaak een schuine onderkant hadden.

De volle manden werden in rugmanden geleegd die door mannen gedragen werden. Als deze manden vol waren, hadden ze vaak een aanzienlijk gewicht, zodat ze met behulp van een stellage omhooggehezen moesten worden voor iemand de mand op zijn rug kon nemen. Deze manden waren gevlochten van wilgentenen of braamtwijgen en besmeerd met pek, uit grenenhout gekuipt of – de laatste tijd- van zink of ijzer vervaardigd.

De geoogste druiven werden op het land of thuis in de druivenmolen kleingemaakt en geplet en dan meteen in de pers gestort. Hier werd door persen de vloeibare most van de vaste bestanddelen, de draf, gescheiden. De Romeinen persten hun druiven op de wijnberg zelf, zoals gebleken is bij opgravingen die in opdracht van het Rheinisches Landesmuseum zijn uitgevoerd. De oudste nog bestaande wijnpersen stammen uit de Middeleeuwen en lijken qua constructie sterk op de Romeinse. Het zijn zogenaamde boom- of balkenpersen. Vanwege hun karakteristieke lange dwarsbalken stonden deze opgesteld in speciale pershuizen.

Weinbauausstellung

Boompersen werken volgens het principe van de hefboomwerking, de spilpers werkt met spildruk. Deze persen nemen aanzienlijk minder ruimte in. De van oorsprong houten spillen waren vaak niet opgewassen tegen de hoge druk waaraan ze werden blootgesteld, en het draaien van de houten spil vereiste een grote krachtsinspanning. Daarom begon de spilpers eigenlijk pas in de 19e eeuw aan zijn zegetocht, toen dankzij de industriële revolutie persen met ijzeren spillen ter beschikking kwamen.

In het gebied rond Trier raakte een wijnpers van de firma André Duchscher & Co uit Wecker in het groothertogdom wijd verbreid. Deze werkte met vijf of zeven valwiggen en werd ook wel Weckerpers genoemd en ook, vanwege het geluid van de vallende wiggen, klipp-pers. Vanaf het begin van de industrialisatie eind 19e eeuw waren er al wijnpersen met valwiggen. Deze hadden het voordeel dat ze minder plaats innamen omdat de wijnmaker bij het aandraaien van de hevel niet steeds om de hele wijnpers heen hoefde te lopen.

Van de wijnpers werd de most meteen naar de kelder afgevoerd. In de regel gebeurde dit met behulp van slangen en pompen. Maar in kleine bedrijven werd de most in houten tobbes naar beneden gebracht. Aan de Saar en de Moezel zijn al van oudsher grote wijnvaten (960 liter) en halve wijnvaten (480 liter) in gebruik.

In de kelder begint de most te gisten. De suiker van de druiven wordt omgezet en alcohol en koolzuur. Middels een gisttrechter van aardewerk of glas kan de koolzuur ontsnappen zonder dat er zuurstof kan binnendringen.

Weinlabor

Tijdens het gistingsproces zinkt de gist naar de bodem van het vat. De wijn wordt langzamerhand "blank". Dan volgt de eerste oversteek, de wijn wordt door overpompen in een ander vat van de gist ontdaan. Tegenwoordig wordt hij tegelijkertijd gefiltreerd. Vroeger deed men dat niet en dronk men de wijn troebel.

Bij het filtreren wordt de wijn ontdaan van de vele zwevende deeltjes die er nog in zitten. De ongewenste chemische stoffen die er nog in zitten worden geschoond, dat wil zeggen door toevoeging van andere stoffen gebonden. In de loop van het jaar volgen meestal nog één of twee oversteken.

Videos:

Marianne Gansemer ,Den goldijen Saarwein (Der goldene Saarwein) (Saarburger Platt)