Cultuur van het wonen
Biedermeier woonkamer
In deze tentoonstellingsruimte gaan de meubels een interessante symbiose met de omgeving aan. De vloer, plafond, deurposten en ramen stammen uit de tijd dat het woongedeelte van de Roscheider Hof gebouwd werd, namelijk de jaren "20 van de 19e eeuw.

Karakteristiek voor de burgerlijke wooncultuur van de Biedermeiertijd waren relatief grote ramen met doorschijnende vitrage en lichte meubelen van peren-, kersen- of essenhout, al werd in het gebied rond Trier onder invloed van Frankrijk ook wel notenhout en mahonie als contrast toegepast. Ook de naar verhouding lege ruimte is typerend. Deze periode tussen 1815 en 1850 wordt in de woninginrichting gekenmerkt door eenvoud en terughoudendheid, in overeenstemming met een nieuw burgerlijk bewustzijn.

De ruimte krijgt een bijzonder accent door het bankstel dat achteraan is opgesteld. Het bestaat uit een sofa uit de late Biedermeier (rond 1850), een tafel, en vier stoelen. Ernaast hangt een comtoise met een cijferblad van emaille en een kast van gedreven messing. Deze klokken werden gewoonlijk uit Frankrijk ingevoerd en door plaatselijke meubelmakers van een kast voorzien die paste bij de overige meubelen. De druk versierde bel naast de sofa stamt duidelijk uit een tijd dat er nog goedkope dienstbodes te krijgen waren.

Ook de secretaire is sterk beënvloed door de Franse empire-stijl. Net als veel secretaires uit deze tijd is deze voorzien van een geheim vakje. De verborgen lade zit achter de trap die naar de siergalerij leidt.

De kachel uit dezelfde periode is een gietijzeren etage- of circulatiekachel, die dankzij zijn grote oppervlak voor een uitzonderlijk goede warmtevoorziening zorgt. De diverse onderdelen zijn geheel in overeenstemming met de periode versierd met ornamenten en mythologische motieven. In de voet zien we bijvoorbeeld Neptunus met zijn drietand. Zulke kachels werden in groten getale vervaardigd bij de ijzergieterij in Quint in de buurt van Trier.

Biedermeier slaapkamer
Slaapkamers zijn in de eerste plaats bedoeld om in te slapen. Dat neemt niet weg dat ze in de late Biedermeierperiode toch rijk waren ingericht. De neiging om zich terug te trekken op eigen terrein, een neiging die typerend is voor die tijd, komt ook hier tot uitdrukking. De meubels zijn voornamelijk van vruchtbomenhout. In de notenhouten klerenkast hangt een bruidsjurk. De draagster ervan kijkt ons aan vanaf de bruidsfoto die boven het bed hangt. De bijbehorende bruidsschoenen zijn van wit satijn.

Het bed zelf is dan nog een tweepersoonsbed. Pas in de tweede helft van de eeuw komen de gescheiden, tegen elkaar aan geschoven bedden op. Omdat het bed zo smal was, wat in de winter beslist ook voordelen had, moest een zogenaamde beddenplank voorkomen dat iemand uit bed viel.

Naast de commode met bijpassende spiegel, die vooral voor de dames een belangrijke rol vervulde, verdient ook het lavoor speciale aandacht. Dit voorwerp vervulde dezelfde functie als de latere wastafel en verving ook vaak de badkuip.



Kamer uit de zogenaamde Gründerzeit
Uit de woonstijl van de Gründerzeit sprak nationale trots. In 1871 was immers de Duitse staat gesticht. Alles mocht nu wat grootser, imposanter en kostbaarder worden. Het karakter van de nieuwe stijl paste bij de stemming onder de almaar rijker wordende midden- en hogere klasse. Uit de massieve meubels, donkere lambrizeringen en zware fluwelen bekleding spreekt een nieuw zelfbewustzijn.