De cultuurgeschiedenis van het wassen
Om een indruk te krijgen van de inspanningen die vrouwen moesten leveren bij het wassen, moet men zich een beeld vormen van alle fasen die er tijdens een wasdag doorlopen moesten worden. Die wasdagen waren nog tot in de jaren "50 van de vorige eeuw een normaal verschijnsel. Op de boerderij was het toen nog gebruikelijk om te wassen met houtas, dan te spoelen in stromend water en daarna de was op het bleekveld te bleken te leggen. In de stad en bij de plattelandsburgerij had men alleen een waskeuken en buiten de waslijnen.

Tot in de jaren '50 werd de witte was daarna op een gemaaide wei te bleken gelegd. De industrie was er echter al voor de Eerste Wereldoorlog in geslaagd om het tijdrovende bleken overbodig te maken. Het blauwsel werd namelijk uitgevonden, een poeder op basis van indigo. Dat gaf aan de witte was een blauwe zweem waardoor bleken eigenlijk overbodig werd.

Zulke wasdagen kostten veel meer krachtsinspanning dan tegenwoordig, en het duurde ook veel langer voor de was weer schoon in de kast lag. Dat was de reden waarom de witte was maar twee keer per jaar gedaan werd. Enerzijds was er in de zomer zoveel meer belangrijks te doen. En in het voor- en najaar gebruikte men de dagen dat het weer zacht was graag voor de grote schoonmaak. De maanden tussen de twee wasperiodes overbrugde men met de spullen uit de linnenkast. Daarom zaten er in een goede uitzet ook zoveel hemden en lakens. De bonte was werd elke vier weken op de boven beschreven manier gedaan, al was het alleen maar omdat daarvan niet zoveel voorhanden was.

De automatisering van het wassen is goed te beschrijven aan de hand van de Miele-wasmachine uit 1913. Dit is een zogenaamde roerarm-wasmachine die al in de 19e eeuw ontwikkeld werd. Deze bestaat uit een houten kuip met in het midden vier beweegbare houten roerarmen. Oorspronkelijk konden deze armen met behulp van een stang gedraaid worden, waardoor de was door het zeepwater geroerd werd. Vanaf ongeveer 1910, toen steeds meer dorpen van elektriciteit voorzien werden, werd deze machine ook met een elektromotor geleverd.

Bij vergelijking van de wasmachine met de eveneens door Miele gefabriceerde houten karn blijkt dat er duidelijke overeenkomsten zijn in de werking. In dit geval slaan de wieken in de houten kuip de room net zo lang tot er brokjes boter ontstaan. De overblijvende karnemelk kan gedronken worden.

De vroege kuipwasmachine had wel een nadeel. Omdat hij van hout was, kon de was er niet in worden opgewarmd. Dat hadden de ijzeren of verzinkte trommelwasmachines dan ook ontegenzeggelijk op hem voor. Deze waren soms voorzien van een kachelpijp en houtkachel, zodat ze ook buiten konden worden opgesteld.

De betekenis van deze technische verworvenheden moet niet overschat worden. Voor het wassen thuis hadden deze uitvindingen nog een hele tijd geen enkele betekenis. Het verloop van zulke wasdagen bleef tot na de Tweede Wereldoorlog wezenlijk hetzelfde. Zeker op het platteland deed de techniek pas in de jaren '50 zijn intrede in het huishouden. Veel van die machines, die dus al zo'n veertig jaar bestonden, brachten pas van toen af verlichting bij dat vermoeiende handwerk. Al kort daarna, in de jaren '60, begon het tijdperk van de volautomatische wasmachine. Van toen af werd de droom van voorwas, hoofdwas en spoelen in één machine werkelijkheid.