Het Groene Pad
De weg naar het openluchtgedeelte van het museum loopt eerst over het "Groene Pad" en door de boomgaard.

Langs het groene pad zijn gewassen geplant die eeuwenlang bepalend waren voor de streek rond de Moezel en de Saar. Deze gewassen werden echter allengs verdrongen onder invloed van de veranderingen die zich sinds de 18e eeuw in de landbouw voltrokken. Het drieslagstelsel dat eeuwenlang in de landbouw beoefend werd, werd vervangen door de wisselbouw. Er werden steeds meer gewassen verbouwd die losse grond nodig hadden, en de bodem werd middels mest verrijkt. Daardoor verdwenen spelt en boekweit allengs van de velden om plaats te maken voor rogge en tarwe.

De teelt van vlas en hennep, planten die onontbeerlijk waren voor de vervaardiging van stoffen bestemd voor kleding en beddengoed, raakte in de vergetelheid toen de import van goedkope katoen en de fabrieksmatige productie het handwerk begonnen te verdringen. Ook de verbouw van hop liep terug toen de bierbrouwerij zich tot een industrie ontwikkelde. Tot halverwege de 19e eeuw werd het meestal bovengistend gebrouwen bier bij veel kroegen en herbergen zelf gebrouwen, en daarvoor was een veld met hop onmisbaar.

Daarnaast kwamen er nieuwe planten op, die het aanzien van ons in cultuur gebrachte landschap veranderden. Al in de 18e eeuw werd de aardappel ingevoerd. Later volgden koolzaad, ma?s en zonnebloemen. Tegenwoordig treft men ook triticale op het land aan, een kruising tussen rogge en tarwe. En waar vroeger in de bloeitijd de velden met vlas van verre te herkennen waren aan hun felle blauw, daar stralen nu het geel van het koolzaad en het blauw van de phacelia, een plant die goede diensten verricht als bijenweide en stikstofverrijking van de bodem.

De boomgaard voorbij het Groene Pad stamt in aanleg uit de tijd dat de Roscheider Hof nog een landbouwbedrijf was. De oude boombestanden werden door het museum verzorgd, deels vervangen en uitgebreid, zodat ze nu samen een educatieve route opleveren.

Boomgaarden zijn zeldzaam geworden. Vroeger lagen ze als een gordel om dorpen heen en voorzagen de bewoners van fruit. Dat fruit werd generaties lang niet alleen vers gegeten maar ook gedroogd en ingemaakt om het zo tot in de winter te kunnen bewaren. Daarnaast vormde het ook de grondstof voor de viez (cider) en vruchtenbrandewijnen waar deze regio ook nu nog bekend om is. Maar de oude boomgaarden moesten vaak plaatsmaken voor nieuwbouwwijken die rond de oude dorpskernen begonnen te ontstaan, en daarmee verdween een element dat zo bepalend was geweest voor dit landschap.

Naast de museumvelden staat sinds 200 jaar en wegkruis. Misoogsten, ziekten bij mens en vee, evenals dikwijls zware ongevallen bedreigden steeds het boerenbestaan. Des te meer werd Gods zegen tot gevarenafweer en tot goed welslagen van de boerenarbeid afgesmeekt. .

 

Videos:


Rudolf Molter, Et Wie-erder! (het weer!)