Het Groene Pad

De eeuwenlang toegepaste drie-akkerige economie werd vervangen door wisselbouw, er werden steeds meer hakvruchten geteeld en de bodemkwaliteit werd verbeterd door bemesting.

Zo verdwenen emmer, spelt en boekweit geleidelijk van de akkers en maakten plaats voor rogge en tarwe.

De teelt van vlas en hennep, twee vezelgewassen die onmisbaar waren voor de produktie van stoffen en laken, voor kleding en beddengoed, raakte in vergetelheid toen de invoer van goedkope katoen en de rationele produktie van fabrieken de handenarbeid verdrongen. De hopteelt nam ook af naarmate het bierbrouwen zich ontwikkelde tot een industrie. Tot ongeveer het midden van de 19e eeuw werd het toen meestal bovengebrouwen bier in vele cafés en tavernes zelf gebrouwen, waarvoor een hoptuin onontbeerlijk was.



Bovendien verschenen er nieuwe planten, die het beeld van ons cultuurlandschap veranderden. De aardappel werd reeds in de 18e eeuw geïntroduceerd. Later volgden koolzaad, maïs en zonnebloemen. Tegenwoordig vindt men op de akkers triticale, een kruising tussen rogge en tarwe, en was vroeger een vlasveld in de bloeitijd van verre herkenbaar aan zijn felle blauw, tegenwoordig schittert vooral het koolzaad of de eveneens blauwe Phacelia, een plant die goed dienst doet als bijenweide en voor de stikstofverrijking van de bodem.


Ons museumveld:

Op ons museumterrein worden akkerbouwgewassen verbouwd die eeuwenlang het cultuurlandschap van de streek rond Moezel en Saar hebben bepaald, maar die door de veranderingen die zich sinds de 18e eeuw in de landbouw hebben voltrokken, geleidelijk zijn verdrongen. Gebaseerd op landbouw op drie velden, worden elk jaar gewassen verbouwd voor verschillende thema's en toepassingen. Bijvoorbeeld oliehoudende zaden, aardappelen (2020), granen (2021), ...



De hooiwagens op de foto hieronder staan voor graslandlandbouw. Ten laatste bij de overgang naar stalhouderij in de 19e  eeuw was een voederreserve voor de winter noodzakelijk. In droge gebieden werd het hooi op de grond uitgespreid om te drogen. In vochtige streken, zoals het middelgebergte, moest het hooi worden opgehangen aan speciaal daartoe opgerichte droogrekken, waarbij er een groot aantal verschillend geconstrueerde rekken waren. Dit was zeer arbeidsintensief en in de naoorlogse periode nauwelijks haalbaar door het toenemende tekort aan arbeidskrachten. Bovendien werd kuilvoer populair, en wie dat niet wilde - omdat de melk bijvoorbeeld werd gebruikt om harde kaas te maken - kon voor het voorgedroogde hooi ook een drooginstallatie op zijn bedrijf gebruiken. Zo eindigden de dagen van de hooibouw in de jaren zestig. De meeste van deze handgemaakte hooirekken werden elders gebruikt of verbrandden gewoon in de oven. Het was dus een buitenkansje voor ons museum om in de zomer van 2020 een groter aantal zogenaamde "Heinzen" te kunnen verwerven.

 

Video:



Een wegkruis staat al 200 jaar naast de velden van het museum. Slechte oogsten als gevolg van ongunstige weersomstandigheden, ziekten bij mens en vee en vaak ernstige ongelukken bedreigden altijd het bestaan van de boer. Des te meer werd Gods zegen ingeroepen om gevaar af te wenden en voor het goede welslagen van het boerenwerk.

Rudolf Molter, Et Wie-erder! (Het weer!)