Geschiedenis van de hoofdgebouwen
Het in situ, d.w.z. op de originele plaats bewaarde hofgoed van het Roscheider Hof, is de kiemcel van ons museum. Het beherbergt het grootste deel van de volkskundige tentoonstellingen. Het werd vervolledigd met einige overgebrachte gebouwen, een rozen- en een kruidentuin. Naast het binnenpark vindt u de landbouwkundige terreinen van het museum.

Clambour-paviljoen
Het rechthoekige vakwerkpaviljoen, dat onder monumentenzorg valt, staat vlak bij het ingangsgebouw van het museum. „Het Clambour paviljoen is een bijkantoor van de burgelijke stand van Trier en kan voor bruiloften geboekt worden“

De kapel van de Goede Herder
De kapel van de Goede Herder ligt een beetje verscholen links van de weg naar de ingang van het Hunsrück-gehucht. Het betreft een door bomen omgeven gepleisterd gebouwtje dat aan drie zijden gesloten is.

De vakwerkkapel
De kapel stamt uit de periode rond 1730 en stond in Bürder, op enige kilometers van Neuwied. De kapel moest wijken voor een nieuw kerkje en werd door het diocees Trier aan het museum geschonken. Bürder ligt echter rechts van de Rijn en valt daarmee eigenlijk buiten het bestek van het openluchtmuseum.

Daarom kwam het museum bij het aanbod van de kapel voor de vraag te staan waar elk openluchtmuseum weleens voor gestaan heeft:

Kerkhof bij de kapel
Bij de kapel uit Bürder is een klein kerkhof nagemaakt. Hier bevinden zich grafstenen uit drie eeuwen. Diverse grafstenen zijn aan het museum geschonken, andere doken op bij het afbreken van huizen, waar ze kennelijk bij de bouw hergebruikt waren. Opmerkelijk is verder de grafsteen van een Russische krijgsgevangene uit de Eerste Wereldoorlog.

De rozentuin
Op de plaats van de vroegere moestuin van de hoeve is nu een rozentuin in Biedermeierstijl aangelegd. De met buxusboompjes omzoomde paden delen het vlak symmetrisch op. In het midden staat een ijzeren zonnewijzer. In de zomer nodigt de rozentuin met de geur van zo'n 8000 rozenstruiken uit om er een poosje te verwijlen. Hij bevindt zich halverwege tussen het tentoonstellingsgebouw en het openluchtmuseum. In het voorjaar bloeien hier narcissen en tulpen.

De kruidentuin
De kruidentuin van de Roscheider Hof omvat ruim 100 plantensoorten, die vanaf de Middeleeuwen tot nu als geneeskrachtige kruiden, specerijen en toverkruiden een belangrijke rol gespeeld hebben en nog steeds spelen.



Het Maret-paviljoen
Tijdens de aanleg van de rozentuin in 1978 hoorde de leiding van het museum iets over een Biedermeier tuinhuisje uit Trier. Het bijna vierkante huisje werd in 1830 neergezet in de tuin van de marsepein- en chocoladefabrikant Johann Wilhelm Maret (1799-1848) uit Trier. Deze figuur hoorde tot de rijke burgerij van de stad, en het is goed voor te stellen hoe zich hier op zoele zomeravonden het sociale leven afspeelde.

Grensstenen
In ons streven om cultuurhistorisch belangrijke zaken uit het verleden voor nu en voor ons nageslacht te bewaren kwam bij ons het idee op om historische grensstenen op ons terrein neer te zetten. Van tevoren was ons al duidelijk dat we ons tot een paar typische exemplaren moesten beperken.

Het Groene Pad
De weg naar het openluchtgedeelte van het museum loopt eerst over het "Groene Pad" en door de boomgaard.

De 6 x 9 meter grote leerbijenstandplaats heeft tot doel, door een brede publiciteit, het belang van de bijen voor het ganse ecosysteem en de betekenis van hun bestuivingsactiviteit voor wild- en cultuurplanten dichterbij te brengen. Gelijktijdig zullen meer en vooral jonge mensen voor de bijenteelt begeesterd en met de imkerij in contact gebracht worden, want alleen zo kan deze en een soortgelijke natuur blijvend verzekerd worden. Voor normale museumbezoekers zijn er verscheidene bijenkasten evenals informatieborden over het werk van de imker en voor de ingang is er een bijenweide.


Reichsarbeitsdienst van het type RL IV. De barak was, van het einde van de oorlog tot haar wederopbouw vanaf 2017, gelegen in de Eifel en werd volgens mondelinge overlevering gebruikt als meldkamer voor een V1-lanceerbasis.

Dit type werd in 1934 door de Reichsarbeitsdienst als manschappenbarak ontworpen en vanaf 1937 in veel kampen gebruikt. Ze werd ontworpen voor vergelijkbare barakkentypes om tijdbesparend en goedkoop opgebouwd en terug afgebroken te worden. De Reichsarbeitsdienst was toen een voor elke tijd inzetbare bouweenheid, die snel op willekeurige plaatsen in het toenmalige Duitse Rijk opgebouwd kon worden. De verblijven moesten zich ook aan de levens- en arbeidsvoorwaarden aanpassen.